Verlies, maar toch ook een beetje winst
(Wolfgang Diekstra, hoofdredacteur)
Op 12 juli jl. was het dan zover: na meer dan drie jaar tussen hoop en vrees ageren en mobiliseren tegen de Europese Richtlijn voor voedingssupplementen kwam het Europese Hof van Justitie met een uitspraak over de geldigheid van die Richtlijn. In de rechtszaak was onder meer door de Britse Alliance for Natural Health (ANH) met name bezwaar gemaakt tegen de positieve lijst van toegelaten stoffen en tegen de onduidelijke procedures om deze lijst uit te breiden. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de Richtlijn geldig is en tevens beslist dat deze procedures niet onwettig zijn (en dus is de Richtlijn geldig verklaard). Sinds 1 augustus 2005 mogen voedingssupplementen daarom alleen vitamines en mineralen bevatten die voorkomen op de positieve lijst of waarvoor vrijstelling is verleend omdat voor die stof(fen) een dossier is ingediend.
Is de kous daarmee nu af? Als het aan brancheorganisatie NPN ligt wel, blijkens een al enkele uren na de gerechtelijke uitspraak uitgegeven persbericht. Tevreden en opgelucht wist men te melden: ’In de uitspraak van het Europese Hof vandaag, worden de argumenten van de aanklager verworpen en de geldigheid van de Directive bevestigd. Een systeem met een positieve lijst wordt beoordeeld als passend om zowel het vrije handelsverkeer als de veiligheid van de volksgezondheid zeker te stellen. Met de uitspraak blijft deze Europese, geharmoniseerde wetgeving overeind’.
Het is natuurlijk wel begrijpelijk dat de NPN, als overtuigd voorstander van de Richtlijn, behoorlijk opgelucht is. Bovendien heeft de NPN veel tijd, geld en energie gestoken in het laten samenstellen van dossiers voor diverse stoffen die op de positieve lijst ontbreken en al die moeite zou voor niets zijn geweest als de Richtlijn ongeldig was verklaard.
Opmerkelijk echter is het feit dat ook de ANH na de uitspraak positief was gestemd, zij het om geheel andere redenen. Na bestudering van het arrest van het Hof was de 'verliezer' namelijk tot de conclusie gekomen dat er toch ook sprake was van winst. In haar persberichten gaf de ANH te kennen dat in de rechterlijke uitspraak wordt gesteld dat de Richtlijn alleen van toepassing is op vitamines en mineralen die normaal niet in de voeding voorkomen. Bovendien zou een stof alleen van de positieve lijst kunnen worden geweerd als kan worden aangetoond dat de stof te onveilig is, en tegen een dergelijke beslissing moet beroep mogelijk zijn.
Als de ANH het bij het rechte eind zou hebben, zou dat betekenen dat de Richtlijn niet van toepassing is op alle in de voeding voorkomende natuurlijke vitamines en mineralen (en verbindingen) en dat een belangrijk deel van de bewijslast zou worden verschoven van de indiener van een dossier naar de wetgever. Degene die een dossier indient, zou dan immers niet meer behoeven aan te tonen hoe veilig een stof is, maar de wetgever zou juist moeten aantonen dat een stof zodanig onveilig is dat deze wordt geweigerd.
Het standpunt van de ANH lijkt bijna te mooi om waar te zijn. Door deze interpretatie van het arrest zou de Richtlijn feitelijk dezelfde werking hebben als een negatieve lijst van verboden stoffen: uitsluitend niet-natuurlijke vitamine- en mineraalverbindingen die aantoonbaar onveilig zijn, zouden dan kunnen worden verboden voor toepassing in voedingssupplementen.
De grote vraag is natuurlijk of de ANH en haar juristen de tekst van de rechterlijke beslissing niet te optimistisch hebben geïnterpreteerd waarbij de wens de vader van de gedachte is geweest. Daarom heb ik de tekst van het arrest er zelf maar eens op nagelezen. De volgende passages zijn in dit verband belangrijk genoeg om hier nog eens te citeren (de nummers tussen haakjes verwijzen naar de nummering in het arrest): ’De bevoegde autoriteiten kunnen een verzoek tot inschrijving van een stof op de lijst van toegelaten stoffen slechts afwijzen op grond van een uitgebreid onderzoek van het risico dat het gebruik van de stof inhoudt voor de volksgezondheid, welk onderzoek berust op de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens die beschikbaar zijn en de meest recente resultaten van het internationale onderzoek. Als de procedure wordt afgesloten met een weigering, moet hiertegen in rechte kunnen worden opgekomen’ (73). ’In casu is (...) in de punten 9 en 11 van de considerans van richtlijn 2002/46 gepreciseerd dat de enige relevante criteria voor de positieve lijsten betrekking hebben, wat vitaminen en mineralen betreft, op het feit dat zij normaal in de voeding voorkomen en als onderdeel daarvan worden geconsumeerd, en, wat de chemische stoffen betreft die als bron van vitaminen of mineralen worden gebruikt, op de veiligheid en de biologische beschikbaarheid van de betrokken stof’ (91). ’In casu kan uit punt 9 van de considerans van richtlijn 2002/46 worden opgemaakt dat de vitaminen en mineralen die door de verbodsmaatregel worden getroffen, die zijn welke normaal niet in de voeding voorkomen, en niet als bestanddeel daarvan worden geconsumeerd’ (135).
Het lijkt mij duidelijk dat de ANH gelijk heeft wat betreft het verschuiven van een aanzienlijk deel van de bewijslast ter zake van de (on)veiligheid van indiener naar wetgever. Daardoor zal het samenstellen van dossiers in de toekomst een stuk gemakkelijker gaan en dat is natuurlijk grote winst. De interpretatie van de ANH dat de actieradius van de Richtlijn echter beperkt zou zijn tot uitsluitend vitamines en mineralen die normaal niet in de voeding voorkomen, lijkt mij evenwel op een zwakke basis te berusten. Immers: uit rechtsoverweging nr. 135 van het arrest vloeit mijns inziens voort dat uitsluitend vitaminen en mineralen die normaal niet in de voeding voorkomen op voorhand zijn uitgesloten van opneming in de positieve lijst, maar dit geldt niet voor normaal wel in de voeding voorkomende vitaminen en mineralen blijkens het aangehaalde punt 9 van de considerans, dat als volgt ondubbelzinnig luidt: ’Alleen vitaminen en mineralen die normaal in de voeding voorkomen, en als onderdeel daarvan worden geconsumeerd, dienen als ingrediënt van voedingssupplementen te worden toegestaan, al betekent dit niet dat hun aanwezigheid daarin nodig is. Mogelijke controverses over de vraag wat die nutriënten zijn, dienen te worden voorkomen. Daarom dient er een positieve lijst van die vitaminen en mineralen te worden vastgesteld’.
Op het moment dat ik dit schrijf (eind juli) bestaat dus nog geen eenstemmigheid bij de belangenorganisaties over de exacte reikwijdte van de Richtlijn en omtrent het eventuele effect van het arrest op de nationale wetgeving. Hopelijk is deze kwestie opgehelderd tegen de tijd dat u dit leest, en dan natuurlijk het liefst volgens de interpretatie van de ANH!
|