Dubieuze Europese intenties
(Wolfgang Diekstra, hoofdredacteur)
Over ruim drie maanden gaat het dan echt gebeuren: de tweede fase van de nieuwe vitaminewetgeving, zoals vastgelegd in de ’Richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen’ en in de ’Warenwetregeling Voedingssupplementen’ treedt in werking. Dit betreft de invoering van de positieve lijst van toegelaten vitamine- en mineraalverbindingen en nieuwe voorschriften voor de etikettering van voedingssupplementen.
Nu de datum van 1 augustus 2005 steeds dichterbij komt, ontstaat er toch enige onrust onder voorschrijvers en gebruikers van voedingssupplementen. Op de redactie en tijdens het telefonisch spreekuur van de Stichting Orthomoleculaire Educatie krijgen wij steeds vaker vragen over de gevolgen van de wetgeving, wat er straks niet meer te koop zal zijn en zelfs of men wellicht moet gaan hamsteren. Artsen vragen zich af of zij hun toevlucht moeten zoeken tot het magistraal laten bereiden van straks verboden producten.
De belangrijkste reden van deze onrust is uiteraard de van kracht wordende positieve lijst, en dan met name de verbindingen die op de lijst ontbreken. Zomaar een greep uit de niet meer toegelaten stoffen: magnesium ascorbaat, dibencozide, alle mineraal orotaten, alle aan een aminozuur gebonden mineralen, calcium pyruvaat, borium, vanadium, carotenoïden met pro-vitamine A-activiteit (m.u.v. bèta-caroteen), tocoferolen (m.u.v. alfa-tocoferol) etc. (de positieve lijst zal worden gepubliceerd in het juni-nummer van dit tijdschrift). De Nederlandse branche-organisatie NPN, die aanvankelijk zeer te spreken was over de nieuwe wetgeving, bleek bij nadere beschouwing van de positieve lijst toch ook niet zo blij met de beperkingen en besloot alsnog in actie te komen om te trachten de lijst uit te breiden.
De Alliance for Natural Health ging een stap verder en zag in de lijst een belangrijk aanknopingspunt om een juridische procedure te starten, met als doel de Richtlijn via de rechter onverbindend te laten verklaren. Tijdens de hoorzitting voor het Europese Hof van Justitie in januari bleken ook de rechters niet erg onder de indruk van de wijze waarop de positieve lijst tot stand was gekomen en de procedure voor het toevoegen van nutriënten aan deze (positieve) lijst werd omschreven als: “Zo transparant als een zwarte doos”.
Op dit moment is de NPN druk doende om zgn. veiligheidsdossiers van enkele ontbrekende stoffen samen te stellen. Een stof waarvan voor 12 juli as. een dossier wordt ingediend, mag namelijk, hangende het oordeel van de EFSA (European Food Safety Authority), ook na 1 augustus nog in de handel blijven (in het land dat het dossier heeft ingediend). Bij een positief oordeel zal deze stof dan aan de positieve lijst worden toegevoegd. De NPN werkt hierbij samen met de Britse branche-organisatie HFMA en beide organisaties hopen voor 12 juli gezamenlijk zo'n dertig dossiers te kunnen indienen. De NPN en de HFMA vormen echter wel een gunstige uitzondering, want de animo in de andere lidstaten om dossiers samen te stellen lijkt een stuk minder, en zelfs belangrijke internationale vitamine- en mineralen-producenten lijken erg terughoudend om dossiers in te dienen voor hun producten.
Maar de vraag waar alles om draait is of stoffen waarvoor een dossier wordt ingediend uiteindelijk ook aan de positieve lijst zullen worden toegevoegd. Met andere woorden: mogen we rekenen op een eerlijke en juiste evaluatie van de ingediende dossiers? Daarbij is natuurlijk van cruciaal belang welke intenties de wetgever werkelijk heeft met deze Richtlijn.
Als motivatie om tot een Europese wetgeving voor voedingssupplementen te komen wordt genoemd dat de onderling verschillende wetgevingen in de lidstaten een belemmering vormen voor de werking van de interne markt, en: ’Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken dienen de op de markt gebrachte producten veilig te zijn’.
Het doel van de Richtlijn is dus het opheffen van handelsbarrières en het vergroten van de veiligheid van de consument. O ja? Harmonisering van de markt leidt toch over het algemeen tot meer vrijheid (kijk maar naar de energie- en telecommarkt) en juist niet tot meer beperkingen? En waartegen wil de Europese overheid de consument dan wel beschermen? Tegen voedingssupplementen die al decennialang probleemloos door miljoenen mensen over de hele wereld worden gebruikt.
Nee, het ziet er eerder naar uit dat de Europese Commissie met deze wetgeving de handel in voedingssupplementen op volstrekt dubieuze gronden juist sterk aan banden wil leggen. Dat de veiligheid van de consument een kapstok is die al heel wat wetsballast torst, blijkt ook uit een andere Europese regeling: de novel food wetgeving. Door een oneigenlijke toepassing van deze wet kunnen allerlei plantenstoffen (botanicals) van de Europese markt worden geweerd, ook weer zogenaamd omdat ze mogelijk niet veilig zouden zijn voor de Europese consument. Let wel, het gaat hier om stoffen die in andere culturen vaak al eeuwenlang worden toegepast zonder nadelige effecten, en die soms zelfs dienst doen als gewone voeding. Ook dit heeft dus niets met veiligheid te maken, het is gewoon een protectionistische maatregel waardoor allerlei derdewereld-economieën, die juist konden floreren door de groeiende vraag naar botanicals vanuit Europa, in de knel komen (de UNCTAD, United Nations Conference on Trade And Development, heeft inmiddels bezwaar aangetekend tegen deze handelwijze).
De motivatie om tot een positieve lijst te komen, zoals vermeld in de inleiding van de Richtlijn, is ronduit een lachertje: ’Alleen vitaminen en mineralen die normaal in de voeding voorkomen, en als onderdeel daarvan worden geconsumeerd, dienen als ingrediënt van voedingssupplementen te worden toegestaan, al betekent dit niet dat hun aanwezigheid daarin nodig is. Mogelijke controverses over de vraag wat die nutriënten zijn, dienen te worden voorkomen. Daarom dient er een positieve lijst van die vitaminen en mineralen te worden vastgesteld’.
Wat moeten we ons voorstellen bij controverses over welke vitamines en mineralen in voeding voorkomen? Is dat vergelijkbaar met discussies over de vraag of een bepaalde groente wel of niet eetbaar is? En waarom wordt nu juist gekozen voor een positieve lijst en niet voor een negatieve (met stoffen die een potentieel gevaar kunnen opleveren)?
De HFMA heeft een lijst opgesteld van maar liefst 271 vitamine- en mineraalverbindingen die ontbreken op de positieve lijst. In de inleiding van de Richtlijn wordt ook erkend dat er flink wat verbindingen ontbreken, met als reden dat deze stoffen ’nog niet door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding zijn geëvalueerd’.
Dit klinkt een beetje als ’sorry, we hebben niet genoeg tijd gehad’. Ook hierbij rijst de vraag waarom niet voor een negatieve lijst is gekozen. Die lijst was immers aanzienlijk korter geweest en dus veel sneller samen te stellen. Maar tijdens de hoorzitting voor het Europese Hof van Justitie in januari kwam de aap uit de mouw: er is helemaal niets geëvalueerd voor de samenstelling van de positieve lijst, want er is gewoon een oude lijst gebruikt die ooit eens (voor andere doeleinden?) door de Europese Commissie is opgesteld.
Daar komt nog bij dat komende herfst voor alle toegestane stoffen maximale dagdoseringen zullen worden vastgesteld. Farmaciebolwerk Duitsland, niet de minste stem in Europa, is al aan het warmlopen en heeft haar Bundesinstitut für Risikobewertung alvast adviezen voor maximale doseringen van micronutriënten in voedingssupplementen laten bepalen. Enkele treurige voorbeelden: 225 mg vitamine C, 5,4 mg vitamine B6 en 9 mcg vitamine B12. Vergelijk dat maar eens met de huidige doseringen in voedingssupplementen. Hoewel de gehanteerde methoden aan alle kanten rammelen, zou het me toch niet verbazen als dit ’baanbrekende’ onderzoek enthousiast wordt meegenomen bij de vaststelling van de maxima.
Het lijkt me duidelijk dat het niet de intentie van de Europese wetgever is om de handel in voedingssupplementen binnen Europa te bevorderen, blijkens de onnodige barrières en onzinnige randvoorwaarden in de Richtlijn. Met een negatieve lijst zou de markt immers veel eenvoudiger kunnen worden geharmoniseerd, zonder dat de veiligheid van de consument in het geding komt. Alle loffelijke inspanningen van de NPN en de HFMA ten spijt, vrees ik dat de EFSA dus vooral zal proberen om de toevoegingen aan de positieve lijst zo beperkt mogelijk te houden.
Al met al moeten we denk ik toch maar hopen op een overwinning voor de ANH. Tegenstanders van de ANH-actie wijzen erop dat als de Richtlijn inderdaad buiten werking zou worden gesteld de gehele procedure weer opnieuw zal beginnen, met dit verschil dat ook de nieuw toegetreden lidstaten van de EU dan hun zegje mogen doen. Waarbij het de vraag is of van deze landen een positieve bijdrage tot een liberalere wetgeving valt te verwachten. Dat zullen we dan moeten afwachten, maar de truc van een volkomen op willekeur gebaseerde beperkende lijst lukt beslist geen tweede keer.
Inmiddels lijkt die overwinning voor de ANH steeds dichterbij te komen. Op 5 april jl. maakte de Advocaat Generaal namelijk zijn mening over deze zaak bekend en concludeerde dat de Richtlijn het evenredigheidsbeginsel aantast en derhalve ongeldig is onder de Europese wetgeving. In de meeste gevallen volgt het Europese Hof van Justitie de aanbevelingen van de Advocaat Generaal.
De definitieve uitspraak wordt in juni verwacht.
|